RECHTBANK OOST-BRABANT

Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2021:1249

Instantie                            Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak              23-03-2021
Datum publicatie             22-04-2021
Zaaknummer                    20/2516
Rechtsgebieden                Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken    Eerste aanleg - enkelvoudig

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth, de stichting
(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel, het college
(gemachtigden: K. Verouden en M. Bellemakers).

Procesverloop

In het besluit van 17 februari 2020 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van de stichting afgewezen om handhavend op te treden tegen het verplaatsen van twee slagbomen aan de Hoberglaan in Son en Breugel.

In het besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een aanvullend beroepsschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1.
Het bos, ter hoogte van de verplaatste slagbomen aan de Hoberglaan, werd gebruikt als homo-ontmoetingsplaats (HOP). De locatie was niet officieel aangewezen als HOP. Bezoekers van de HOP parkeerden aan de Hoberglaan. Door het verplaatsen van de twee slagbomen kan dat niet meer. Bezoekers moeten nu de parkeerplaats aan de Kanaaldijk Noord, ten zuiden van het bos, gebruiken.

Plaatje
Bestseweg

Plaatje

Kanaaldijk Noord

2.
Aan de noordkant van het bos, aan de Bestseweg, bevindt zich een scouting terrein.

3.
De toegang tot het bos en de HOP is niet afgesloten door het verplaatsen van de slagbomen aan de Hoberglaan. Het bos en de HOP zijn nog steeds te voet en met de fiets bereikbaar. De parkeerplaats ten zuiden van het bos bevindt zich op 500 tot 1000 meter van de plek waar vóór het verplaatsen van de slagbomen geparkeerd werd.

4.
Artikel 3 van de statuten van de stichting luidt als volgt.

(…) 3. De stichting heeft ten doel om te streven naar het open houden van openbare verzorgingsplaatsen, parkeerplaatsen en andere plaatsen zonder voorzieningen en behartigt de belangen van al de bezoekers daarvan.
(…)
9. De stichting heeft ten doel om te streven naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen, en behartigt de belangen van al de bezoekers van deze plaatsen.
(…)
Al de hierboven opgesomde doelstellingen van de stichting zijn: opgesomd in willekeurige volgorde van belang, opgesteld in de meest ruime zin van het woord èn hebben betrekking op lokaal, provinciaal, nationale alsmede internationaal niveau.

Het verzoek van de stichting

5.
Op 23 december 2019 heeft de stichting het college verzocht om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de parkeerplaatsen aan de Hoberglaan. Volgens de stichting hadden voor deze afsluitingen verkeersbesluiten moeten worden genomen, wat niet is gebeurd.

De besluitvorming door het college

6.
In het primaire besluit – voor zover nu van belang – stelde het college zich nog op het standpunt dat de stichting belanghebbende is bij haar verzoek tot handhaving.

7.1.
In het bestreden besluit heeft het college dit standpunt gewijzigd en stelt het college dat de stichting geen belanghebbende is bij het verzoek. Het besluit van 17 februari 2020 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de stichting geen belanghebbende is. Omdat er geen sprake is van een besluit zoals bedoeld in de Awb, is het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk.

7.2.
Het college verwijst in het bestreden besluit naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. De commissie vindt dat de stichting geen zwaarwegend belang bij de plaatsing van de slagbomen heeft dat is gerelateerd aan de doelstellingen van de stichting. Het verplaatsen van de slagbomen heeft geen gevolgen voor de bereikbaarheid van het bos dat wordt gebruikt als HOP. De parkeerplaatsen maken geen deel uit van het bos en zijn feitelijk niet in gebruik als HOP.

Het beroep van de stichting

8.
De stichting stelt dat zij de belangen behartigt van bezoekers die het bos naast de parkeerplaats willen bezoeken. Zij wil daarom het bezoek aan het bos en het mede gebruik als HOP herstellen, ook voor de toekomst. De stichting bestrijdt dat het verplaatsen van de slagbomen geen nadelige gevolgen heeft voor de toegang van het bos én de HOP. De HOP heeft zich door de afsluiting van de parkeerplaatsen verplaatst naar de zuidkant van het bos, waar door de politie streng wordt gehandhaafd.

9.
De stichting stelt dat zij ook de belangen behartigt van het wegverkeer en de weggebruikers die op de parkeerplaats parkeren. Zij wil daarom dat het gebruik als parkeerplaats mogelijk blijft.

10.
De stichting vindt ten slotte dat het college haar vertrouwen schendt en in strijd handelt met de regels van behoorlijk bestuur door in het bestreden besluit het standpunt in te nemen dat de stichting toch géén belanghebbende is.

De beoordeling

11.
De vraag die moet worden beantwoord is of de stichting als belanghebbende moet worden aangemerkt bij haar verzoek om handhaving tegen het verplaatsen van de slagbomen.

12.
De rechtbank stelt voorop dat alleen een belanghebbende een verzoek tot handhaving kan doen. In artikel 1:2 van de Awb staat wie een belanghebbende is. Het gaat om degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Voor rechtspersonen gaat het om de collectieve of algemene belangen die zij volgens hun doelstellingen (criterium a) en met hun feitelijke werkzaamheden (criterium b) in het bijzonder behartigen. Voldoende is dat de statutaire belangen feitelijk door het besluit worden geraakt (criterium c). Om als belanghebbende te worden aangemerkt dient er ten slotte sprake te zijn van een belang waarmee men zich in voldoende mate onderscheidt van anderen (criterium d).

13.
De rechtbank is van oordeel dat het college de stichting als belanghebbende had moeten aanmerken.

14.1.
Het statutaire doel van de stichting om te streven naar het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen is gericht op het behartigen van collectieve belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb (criterium a).

14.2.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de stichting met het oog op de behartiging van die doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb (criterium b).
De feitelijke werkzaamheden van de stichting bestaan uit het onderhouden van contacten met bestuurders, volksvertegenwoordigers en andere belangenverenigingen over onder meer het openhouden van homo-ontmoetingsplaatsen, de overlast bij homo-ontmoetingsplaatsen, de homo-emancipatie in relatie tot homo-ontmoetingsplaatsen en het bijhouden van een website, waarop onder meer de homo-ontmoetingsplaatsen in Nederland zijn opgenomen.

Daarnaast onderhoudt de stichting contact met Rijkswaterstaat, om onder de aandacht te brengen dat de aanwezigheid van een HOP bij een parkeerplaats ook de veiligheid ten goede komt van bijvoorbeeld de vrachtwagens die daar geparkeerd staan. Ook probeert de stichting in contact te komen met weggebruikers om te zien of er veiligheidsproblemen zijn en om onder de aandacht te brengen dat het netjes moet blijven op de parkeerplaatsen. Vrijwilligers van de stichting ruimen regelmatig op.

Het college heeft die feitelijke werkzaamheden niet betwist en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

14.3.
Naar het oordeel van de rechtbank raakt het verplaatsen van de slagbomen het statutaire belang van de stichting, omdat hierdoor de oude locatie feitelijk niet meer als HOP wordt gebruikt (criterium c). Vast staat dat de HOP zich heeft verplaatst naar het zuiden van het bos. Dat de oude locatie nog wel te voet en met de fiets bereikbaar is, maakt niet uit voor het oordeel, omdat de feitelijke gevolgen van belang zijn. Het college had met het verplaatsen van de slagbomen bij de parkeerplaats (in ieder geval ook) een verplaatsing van de HOP tot doel. De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegelicht dat op de oude locatie de bezoekers van de HOP zich door het bos verspreidden. Daarom zijn er slagbomen geplaatst. Nu wordt er verder naar het zuiden geparkeerd en blijven de HOP-bezoekers meer in het zuiden en het midden van het bos. Voorheen gingen de bezoekers met name meer naar het noorden en dat was volgens het college niet wenselijk vanwege de scoutinglocatie daar.

14.4.
De rechtbank vindt het in het artikel 3, negende lid, van de statuten weergegeven doel ten slotte voldoende onderscheidend om te kunnen oordelen dat het belang van de stichting rechtstreeks bij het besluit is betrokken (criterium d).

15.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

16.
Het college heeft de stichting ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt in het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en het college zal in een nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van de stichting alsnog inhoudelijk op de bezwaargronden van de stichting moeten ingaan. De rechtbank bespreekt wat de stichting verder heeft aangevoerd daarom niet meer.

17.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar en het college nu dus eerst inhoudelijk zal moeten ingaan op het bezwaar van de stichting. Het college moet bij dit nieuw te nemen besluit rekening houden met deze uitspraak. Het college moet dit nieuwe besluit binnen zes weken nemen.

18.
Het college moet het betaalde griffierecht aan de stichting vergoeden, omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart.

19.
De stichting krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, omdat het beroep gegrond is. Het college moet die vergoeding betalen. De rechtbank berekent de vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt.

  • De rechtbank begroot de reiskosten op € 42,88 (twee keer de prijs van een enkele reis op basis van openbaar vervoer 2e klas zonder korting vanaf het adres van de stichting tot de rechtbank). Bij het bepalen van de reiskosten heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de stichting heeft verzocht om een vergoeding van € 52,76, maar dat verzoek niet heeft onderbouwd.

  • De rechtbank begroot de verletkosten op € 120,72 (twee keer 1:45uur reisduur openbaar vervoer en 2,5 uur voor het bijwonen van de zitting, keer het uurloon van € 20,12). De stichting heeft niet onderbouwd waarom een vergoeding voor meer dan 6 uren moet worden toegekend of waarom de kosten van een maaltijdcheque voor vergoeding in aanmerking komen.

 

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 354,00 aan de stichting te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 163,60.

 

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Verstraelen, rechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

De rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 december 2018, met vindplaats ECLI:NL:RVS:2018:4286 en van 25 april 2012, met vindplaats ECLI:NL:RVS:2012:BW3854.